Naar de inhoud
Inhoud
  1. Wat is het en waarvoor wordt het gebruikt?
  2. Wat moet u weten voordat u het gebruikt?
  3. Hoe wordt het gebruikt?
  4. Wat zijn mogelijke bijwerkingen?
  5. Hoe moet het worden bewaard?
  6. Verdere informatie

In het kort

Glucose 20% g/v is een oplossing die glucose bevat voor toediening in de vorm van een veneus druppelinfuus (intraveneuze infusie). U krijgt dit geneesmiddel toegediend om u te voorzien van koolhydraten als u niet in staat bent om normaal te eten en te drinken. Het kan u ook worden gegeven om een abnormaal lage bloedsuikerspiegel te verhogen.

Werkzame stof(fen)
Cortisone, Koolhydraten, Glucose
Vergunninghouder
B. Braun Melsungen AG (Melsungen) Carl-Braun-Strasse 1 34212 MELSUNGEN (DUITSLAND)
ATC-code
B05BA03

Deze samenvatting vervangt de bijsluiter of medisch advies niet.

Advertentie

Patiëntenbijsluiter

Waarvoor wordt Glucose 20% g/v, oplossing voor infusie gebruikt?

Glucose 20% g/v is een oplossing die glucose bevat voor toediening in de vorm van een veneus druppelinfuus (intraveneuze infusie).

U krijgt dit geneesmiddel toegediend om u te voorzien van koolhydraten als u niet in staat bent om normaal te eten en te drinken.

Het kan u ook worden gegeven om een abnormaal lage bloedsuikerspiegel te verhogen.

Advertentie

Wat moet u weten voordat u Glucose 20% g/v, oplossing voor infusie gebruikt?

Wanneer mag u dit middel niet gebruiken?

  • U heeft een te hoge bloedsuikerspiegel (hyperglykemie) die meer dan 6 insuline-eenheden per uur vereist om te reguleren
  • U heeft levensbedreigende problemen met de bloedsomloop, d.w.z. toestanden van shock en collaps (storing van de bloedsomloop)
  • U heeft een hoog gehalte aan zure stoffen in uw bloed (acidose)
  • In geval van coma veroorzaakt door een hoge concentratie glucose in uw bloed
  • U heeft vochtophoping, vooral in de onderbenen en laagliggende delen van het lichaam (gegeneraliseerd oedeem) of in de longen en/of de hersenen
    U heeft vocht in de buik (ascites) veroorzaakt door littekenvorming in de lever (cirrose)
  • U heeft een overmaat aan water in uw lichaam (hyperhydratie)
  • Uw nieren werken slecht (ernstige nierinsufficiëntie) waarbij de hoeveelheid urineproductie sterk verminderd is (oligurie) of helemaal gestopt (anurie)
  • U heeft acuut hartfalen

Wanneer moet u extra voorzichtig zijn met dit middel?

Neem contact op met uw arts, apotheker of verpleegkundige voordat u dit middel gebruikt.

Voordat u dit geneesmiddel toegediend krijgt, moeten bestaande stoornissen van het vocht- en zoutgehalte van uw lichaam zoals:

  • een te laag kalium- of natriumgehalte in uw bloed (hypokaliëmie, hyponatriëmie)
  • watertekort en overmatige zoutverliezen

worden gecorrigeerd.

Uw bloedsuikerspiegel, vocht- en elektrolytengehalte (in het bijzonder kalium) en zuur-base-evenwicht moeten worden gecontroleerd om er zeker van te zijn dat deze vóór en tijdens infusie correct zijn. Voor dit doeleinde kunnen bloedmonsters van u worden genomen. Indien nodig zal uw bloedsuiker door insulinetoediening worden gereguleerd.

Patiënten met een acute ziekte, pijn, postoperatieve stress, infecties, brandwonden, ziekten van het zenuwstelsel, het hart, de lever of de nieren, en patiënten die geneesmiddelen gebruiken met een vergelijkbare werking als vasopressine (een hormoon dat de hoeveelheid vloeistoffen in het lichaam reguleert), lopen, wanneer zij dit geneesmiddel toegediend krijgen, een bijzonder risico op het ontwikkelen van een abnormaal laag natriumgehalte in het bloed (acute hyponatriëmie), wat kan leiden tot een levensbedreigende zwelling van de hersenen (hyponatriëmische encefalopathie, hersenoedeem).

Vrouwen die kinderen kunnen krijgen en patiënten met ernstige hersenaandoeningen, zoals een infectie van de vliezen die de hersenen omgeven (meningitis) of met hersenletsel (intracraniale bloedingen, cerebrale contusie), lopen een bijzonder risico op de ernstige en levensbedreigende zwelling van de hersenen veroorzaakt door een abnormaal laag natriumgehalte in het bloed.

U mag dit geneesmiddel normaal gesproken niet toegediend krijgen als u lijdt aan of recentelijk heeft geleden aan een beroerte, tenzij uw arts het essentieel acht voor uw herstel.

Uw arts zal zeer zorgvuldig in overweging nemen of dit geneesmiddel geschikt is voor u als u lijdt aan:

  • een hoog bloedvolume
  • een beperkte nier- of hartfunctie
  • een abnormaal hoog geconcentreerd bloedserum (hoge serumosmolariteit)
  • diabetes of enig ander type koolhydraatintolerantie
  • enige vorm van beperking van uw stofwisseling (bijvoorbeeld na chirurgie of letsel, met een tekort aan zuurstof in uw weefsels, of met enkele orgaanziekten) waardoor uw bloed zuur kan worden
  • ernstige uitdroging (bijvoorbeeld ontwenningsverschijnselen bij alcoholverslaving of bij patienten met diabetis insipidus waarbij vochtopname en vochtuitscheiding ontregeld is)

Uw arts zal bijzondere voorzichtigheid betrachten als uw bloed-hersenbarrière beschadigd is, omdat dit geneesmiddel dan een verhoging van de druk binnen uw schedel of het ruggenmerg kan veroorzaken.

Voldoende toevoer van zouten (in het bijzonder kalium, magnesium, fosfaat) en vitaminen (vooral vitamine B1) moet gewaarborgd zijn.

Kinderen

Bijzondere voorzichtigheid zal worden betracht wanneer dit geneesmiddel aan kinderen in hun eerste of tweede levensjaar wordt toegediend, omdat een plotselinge beëindiging van hoge infusiesnelheden kan leiden tot zeer lage bloedsuikerspiegels, vooral bij deze kinderen.

Gebruikt u nog andere geneesmiddelen?

Gebruikt u naast Glucose 20% g/v nog andere geneesmiddelen, of heeft u dat kort geleden gedaan of bestaat de mogelijkheid dat u in de nabije toekomst andere geneesmiddelen gaat gebruiken? Vertel dat dan uw arts.

Uw arts zal ervoor zorgen alleen geneesmiddelen of additieven aan de oplossing toe te voegen die daar goed mee mengen.

Uw arts zal deze oplossing alleen met voorzichtigheid toedienen indien u een van de volgende geneesmiddelen gebruikt, die een vergelijkbare werking hebben als vasopressine of het effect van vasopressine versterken en het risico van lage natriumgehalten in het bloed (hyponatriëmie) verhogen:

  • Carbamazepine en oxcarbazepine, voor de behandeling van epilepsie
  • Clofibraat, voor de behandeling van hoge vetgehalten in het bloed
  • Vincristine en ifosfamide, voor de behandeling van kanker
  • Cyclofosfamide, voor de behandeling van kanker en auto-immuunaandoeningen
  • Selectieve serotonineheropnameremmers (SSRI’s), voor de behandeling van depressies
  • Antipsychotica, voor de behandeling van psychische stoornissen
  • Opioïde pijnstillers, voor het verlichten van hevige pijn
  • Niet-steroïdale ontstekingsremmers (NSAID’s), voor het verlichten van lichte tot matig ernstige pijn en het behandelen van ontstekingen in uw lichaam
  • Desmopressine,voor de behandeling van diabetes insipidus (extreme dorst en de doorlopende productie van grote volumes verdunde urine)
  • Oxytocine, gebruikt tijdens bevallingen
  • Vasopressine en terlipressine, voor de behandeling van ‘bloedende slokdarmspataders’
    (verwijde aders in uw slokdarm veroorzaakt door leverproblemen)
  • 3,4-methyleendioxy-N-methamfetamine, (MDMA, ‘ecstasy’), een illegale drug
  • Diuretica of plasmiddelen (geneesmiddelen die de hoeveelheid urine vergroten)

Verpakte rode bloedcellen mogen niet aan deze oplossing worden toegevoegd en mogen ook niet samen met, direct vóór of na bloed via dezelfde slang worden toegediend.

Zwangerschap en borstvoeding

Bent u zwanger, denkt u zwanger te zijn, wilt u zwanger worden of geeft u borstvoeding? Neem dan contact op met uw arts voordat u dit geneesmiddel gebruikt.

Zwangerschap

Uw arts zal zorgvuldig besluiten of deze oplossing al dan niet aan u mag worden toegediend als u zwanger bent. Wanneer u dit geneesmiddel krijgt, zal uw bloedsuiker worden gecontroleerd.

Borstvoeding

Uw arts zal zorgvuldig besluiten of deze oplossing al dan niet aan u mag worden toegediend als u uw kind borstvoeding geeft.

Rijvaardigheid en het gebruik van machines

Dit geneesmiddel heeft geen invloed op de rijvaardigheid en het gebruik van machines.

Hoe wordt Glucose 20% g/v, oplossing voor infusie gebruikt?

De hoeveelheid Glucose 20% g/v die u krijgt toegediend, zal door uw arts worden bepaald, afhankelijk van uw toestand.

Uw arts controleert mogelijk de vloeistofbalans, het glucose- en elektrolytengehalte (waaronder natrium) in uw bloed voor en tijdens de behandeling, in het bijzonder bij patiënten met een verhoogde vasopressineproductie (een hormoon dat de hoeveelheid vloeistoffen in het lichaam reguleert) en bij patiënten die geneesmiddelen gebruiken met een vergelijkbare werking als vasopressine, omdat er een

risico bestaat op een abnormaal laag natriumgehalte in uw bloed (hyponatriëmie). Zie ook rubriek

“Wanneer moet u extra voorzichtig zijn met dit middel?”, “Gebruikt u nog andere geneesmiddelen?” en “Mogelijke bijwerkingen”.

Dosering

Voor volwassenen en jongeren vanaf 15 jaar is de maximale hoeveelheid 30 ml per kg lichaamsgewicht per dag, overeenkomend met 6 g glucose per kg lichaamsgewicht per dag.

De oplossing zal niet sneller dan bij een snelheid van 1,25 ml per kg lichaamsgewicht per uur – overeenkomend met 0,25 g glucose per kg lichaamsgewicht per uur - aan u worden toegediend.

Voor kinderen tot en met 14 jaar zal de maximale dagelijkse hoeveelheid van dit geneesmiddel worden bepaald in overeenstemming met de leeftijd en het lichaamsgewicht:

Te vroeg geboren baby’s: 18 g per kg lichaamsgewicht 90 ml per kg lichaamsgewicht
Voldragen baby’s: 15 g per kg lichaamsgewicht 75 ml per kg lichaamsgewicht
1 tot en met 2 jaar: 15 g per kg lichaamsgewicht 75 ml per kg lichaamsgewicht
3 tot en met 5 jaar: 12 g per kg lichaamsgewicht 60 ml per kg lichaamsgewicht
6 tot en met 10 jaar 10 g per kg lichaamsgewicht 50 ml per kg lichaamsgewicht
11 tot en met 14 jaar 8 g per kg lichaamsgewicht 40 ml per kg lichaamsgewicht

Wanneer de dosis wordt bepaald, zal de totale dagelijkse vochtopname in aanmerking worden genomen, volgens de volgende aanbevelingen voor kinderen:

1e levensdag: - 120 ml per kg lichaamsgewicht per dag
2e levensdag: - 120 ml per kg lichaamsgewicht per dag
3e levensdag: - 130 ml per kg lichaamsgewicht per dag
4e levensdag: - 150 ml per kg lichaamsgewicht per dag
5e levensdag: - 160 ml per kg lichaamsgewicht per dag
6e levensdag: - 180 ml per kg lichaamsgewicht per dag
1e maand, voorafgaand aan    
vaststelling stabiele groei: - 170 ml per kg lichaamsgewicht per dag
1e maand, na vaststelling    
stabiele groei: - 160 ml per kg lichaamsgewicht per dag
2e - 12e levensmaand: - 150 ml per kg lichaamsgewicht per dag
2e levensjaar: - 120 ml per kg lichaamsgewicht per dag
3 tot en met 5 jaar: - 100 ml per kg lichaamsgewicht per dag
6 tot en met 12 jaar: 60 - 80 ml per kg lichaamsgewicht per dag
13 tot en met 18 jaar: 50 - 70 ml per kg lichaamsgewicht per dag

Speciale omstandigheden

Als u een verstoring van uw metabolisme heeft (bijvoorbeeld na chirurgie of letsel, met een tekort aan zuurstof in uw weefsels, of met enkele orgaanziekten), zal uw glucosedosering worden aangepast om de bloedglucosespiegel dicht bij normale waarden te houden.

Wijze van toediening

De oplossing zal aan u worden toegediend via een dunne slang die in een ader wordt ingebracht (via intraveneuze infusie).

Tijdens intraveneuze voeding zult u zo nodig ook andere voedingsmiddelen krijgen, zoals aminozuren voor het opbouwen van eiwit, vetemulsies, zogeheten essentiële vetzuren, zouten, vitaminen en sporenelementen.

Heeft u te veel van dit middel gebruikt?

Het is onwaarschijnlijk dat dit gebeurt, aangezien uw arts uw dagelijkse doses zal bepalen.

Overdosering kan resulteren in een te hoge bloedsuikerspiegel, glucoseverlies in de urine, abnormaal hoog geconcentreerde lichaamsvloeistoffen, vochttekort, beperkt bewustzijn of bewusteloosheid door een extreem hoge bloedsuikerspiegel of te geconcentreerde lichaamsvloeistoffen, overmatig vocht in het lichaam met verhoogde huidspanning, veneuze congestie (zwaar gevoel en zwelling van de benen), zwelling van weefsel (mogelijk met water op de longen of zwellen van de hersenen) en abnormaal hoog of laag bloed elektrolytengehalte.

Extreme overdosering kan ook leiden tot ophoping van vet in de lever.

Als dit gebeurt, zal uw glucose-infusie worden vertraagd of worden stopgezet.

Uw arts zal beslissen over enige verdere behandeling die u nodig kunt hebben, bijvoorbeeld toediening van insuline, vocht of zouten.

Heeft u nog andere vragen over het gebruik van dit geneesmiddel? Neem dan contact op met uw arts, apotheker of verpleegkundige.

Advertentie

Wat zijn de bijwerkingen van Glucose 20% g/v, oplossing voor infusie?

Zoals elk geneesmiddel kan ook dit geneesmiddel bijwerkingen hebben, al krijgt niet iedereen daarmee te maken.

Bijwerkingen met niet-bekende frequentie (kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald):

  • In het ziekenhuis opgelopen abnormaal lage natriumgehalten in het bloed (hyponatriëmie)
  • Zwelling van de hersenen (hersenoedeem) door abnormaal lage natriumgehalten in het bloed (hyponatriëmische encefalopathie). Dit kan onomkeerbare hersenbeschadiging en overlijden veroorzaken. De symptomen zijn onder andere: hoofdpijn, misselijkheid (nausea), braken, toevallen, vermoeidheid en gebrek aan energie
  • Lokale pijn of reactie (rood worden of zwelling op de injectieplaats)
  • Irritatie of ontsteking van de ader waarin de injectie is gegeven (flebitis)
  • Vorming van een bloedstolsel op de injectieplaats (tromboflebitis)
  • Lekkage van oplossing in het weefsel rondom de ader (extravasatie)

Het melden van bijwerkingen

Krijgt u last van bijwerkingen, neem dan contact op met uw arts of apotheker. Dit geldt ook voor mogelijke bijwerkingen die niet in deze bijsluiter staan. U kunt bijwerkingen ook rechtstreeks melden via het Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb (Website: www.lareb.nl). Door bijwerkingen te melden, kunt u ons helpen meer informatie te verkrijgen over de veiligheid van dit geneesmiddel.

Hoe bewaart u Glucose 20% g/v, oplossing voor infusie?

Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.

Gebruik dit geneesmiddel niet meer na de uiterste houdbaarheidsdatum. Die is te vinden op de fles en de etiketten na EXP. Daar staat een maand en een jaar. De laatste dag van die maand is de uiterste houdbaarheidsdatum.

Voor dit geneesmiddel zijn er geen speciale bewaarcondities.

Gebruik dit geneesmiddel niet als de oplossing niet helder en kleurloos of licht gelig is of als de fles of de afsluiting ervan beschadigd zijn.

Spoel geneesmiddelen niet door de gootsteen of de WC. Vraag uw apotheker wat u met geneesmiddelen moet doen die u niet meer gebruikt. Ze worden dan op een verantwoorde manier vernietigd en komen niet in het milieu terecht.

Meer informatie over Glucose 20% g/v, oplossing voor infusie

Welke stoffen zitten er in dit middel?

  • De werkzame stof in dit middel is glucosemonohydraat.
    Per liter bevat dit geneesmiddel 220 g glucosemonohydraat, wat equivalent is aan 200 g glucose.
  • De andere stoffen in dit middel zijn zoutzuur en water voor injecties.
Energie 3350 kJ/l ≙ 800 kcal/l
Theoretische osmolariteit 1110 mOsm/l
Titratie zuurgraad (tot pH 7,4) < 1 mmol/l
pH 3,5 - 5,5

Hoe ziet Glucose 20% g/v eruit en hoeveel zit er in een verpakking?

Glucose 20% g/v is een oplossing voor infusie voor toediening via een veneus druppelinfuus.

Het is een heldere, kleurloze of enigszins geelachtige oplossing van glucosemonohydraat in water.

Het wordt geleverd in:

  • kleurloze glazen flessen die 100 ml of 500 ml bevatten
  • kleurloze plastic (polyethyleen) flessen die 500 ml bevatten

Niet alle genoemde verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht.

Houder van de vergunning voor het in de handel brengen en fabrikant

B. Braun Melsungen AG

Carl-Braun-Straße 1

34212 Melsungen

Duitsland

Telefoon: +49-5661-71-0

Fax: +49-5661-71-4567

Fabrikanten

B. Braun Melsungen AG

Carl-Braun-Straße 1

34212 Melsungen

Duitsland

of

B. Braun Medical S. A. Carreterra de Terrassa 121 08191 Rubi (Barcelona) Spanje

Voor informatie met betrekking tot dit geneesmiddel kunt u, voor Nederland, contact opnemen met:

B. Braun Medical BV

Postbus 659

5340 AR Oss Tel: 0412-672411 Fax: 0412-672490

e-mail: info.bbmnl@bbraun.com

In het register ingeschreven onder nummer RVG 56047

Deze bijsluiter is voor het laatst goedgekeurd in februari 2020.

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

De volgende informatie is alleen bestemd voor beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg.

Wijze van toediening

Intraveneus gebruik. Uitsluitend voor centraal veneuze infusie.

Gebruik bij pediatrische patiënten

Voor behandeling van hypoglykemie bij kinderen wordt gebruik van 10% glucoseoplossing aanbevolen.

Voor gebruik van Glucose 20% g/v bij neonaten dient goed rekening te worden gehouden met de hoge osmolariteit van de oplossing.

Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik

Algemeen

Intraveneuze glucose-infusies zijn gewoonlijk isotone oplossingen. In het lichaam kunnen glucosebevattende vloeistoffen echter uitermate fysiologisch hypotoon worden als gevolg van snelle metabolisering van glucose (zie rubriek 4.2).

Intraveneuze toediening van glucose kan verstoring van de elektrolytenbalans veroorzaken, met name hypo- of hyperosmotische hyponatriëmie, afhankelijk van de toniciteit van de oplossing, het volume en de snelheid van de infusie en afhankelijk van de onderliggende aandoening van de patiënt en diens vermogen om glucose te metaboliseren,

Deze oplossing dient met voorzichtigheid te worden gebruikt bij patiënten met

  • hypervolemie
  • nierinsufficiëntie
  • hartfalen
  • verhoogde serumosmolariteit
  • duidelijke of bekende subklinische diabetes mellitus of koolhydraatintolerantie om welke reden dan ook.

Verstoorde glucose huishouding (bijvoorbeeld postoperatief of na letsel, hypoxie, orgaaninsufficiëntie) kan leiden tot metabole acidose.

Toepassing van hyperosmolaire glucoseoplossingen bij patiënten met een beschadigde bloed-hersenbarrière kan leiden tot een verhoging van de intracraniële/intraspinale druk.

Hyponatriëmie

Patiënten met niet-osmotische afgifte van vasopressine (bijvoorbeeld bij acute ziekte, pijn, postoperatieve stress, infecties, brandwonden en ziekten van het centrale zenuwstelsel), patiënten met hart-, lever- en nierziekten en patiënten blootgesteld aan vasopressine-agonisten (zie rubriek 4.5) lopen met specifiek risico op acute hyponatriëmie bij infusie van hypotone vloeistoffen.

Acute hyponatriëmie kan leiden tot acute hyponatriëmische encefalopathie (hersenoedeem), die wordt gekenmerkt door hoofdpijn, misselijkheid, epileptische aanvallen, lethargie en braken. Patiënten met

hersenoedeem hebben een extra hoog risico op ernstig, onomkeerbaar en levensbedreigend hersenletsel.

Kinderen, vrouwen in de vruchtbare leeftijd en patiënten met een verminderde hersenwerking (bijvoorbeeld meningitis, intracraniële bloeding en hersenschudding) hebben een extra hoog risico op ernstige en levensbedreigende hersenzwelling veroorzaakt door acute hyponatriëmie.

Hyperglykemie

Toediening van glucoseoplossingen wordt niet aangeraden na acute ischemische beroertes, aangezien werd gemeld dat hyperglykemie ischemische hersenschade verergert en herstel verstoort.

Toestanden van hyperglykemie dienen voldoende gecontroleerd te worden en met insuline te worden behandeld. De toepassing van insuline veroorzaakt additioneel transport van kalium naar de cellen en kan zodoende hypokaliëmie veroorzaken of versterken.

Hypoglykemie

Plotseling beëindigen van hoge glucose-infusiesnelheden kan leiden tot ernstige hypoglykemie vanwege de hiermee gepaard gaande hoge seruminsulineconcentraties. Dit geldt in het bijzonder voor kinderen van jonger dan 2 jaar, patiënten met diabetes mellitus en patiënten met andere ziektetoestanden die met verstoorde glucosehomeostase geassocieerd zijn. Bij duidelijke gevallen dient de glucose-infusie in de laatste 30 - 60 minuten van de infusie te worden afgebouwd. Als voorzorg wordt het aanbevolen dat elke individuele patiënt op de eerste dag van abrupte beëindiging van parenterale voeding gedurende 30 minuten op hypoglykemie wordt gecontroleerd.

Monitoring

Klinische bewaking dient in het algemeen bloedglucose, serumelektrolyten, en de vocht- en zuur-base-balans te omvatten. Er moet met name op het natriumgehalte worden gelet, omdat glucoseoplossingen vrij water aan het lichaam toevoegen en daardoor hyponatriëmie kunnen veroorzaken of verergeren.

Frequentie en type laboratoriumtests hangen af van de algehele toestand van de patiënt, de heersende metabole situatie, de toegediende dosis en de duur van de behandeling. Controleer ook het totale volume en de hoeveelheid glucose die wordt toegediend.

Refeeding syndroom

Wanneer bij ondervoede of uitgeputte patiënten vanaf het allereerste begin parenterale voeding met de volledige doseringen en infusiesnelheden wordt toegediend, kan dit, zonder voldoende aanvulling van kalium, magnesium en fosfaat, leiden tot het refeeding syndroom dat wordt gekenmerkt door hypokaliëmie, hypofosfatemie en hypomagnesiëmie. Klinische manifestaties kunnen zich binnen enkele dagen na het starten van parenterale voeding ontwikkelen. Bij dergelijke patiënten dienen infusiekuren geleidelijk te worden opgebouwd. Adequate aanvulling van elektrolyten, al naar gelang de afwijkingen van normale waarden, is noodzakelijk.

Er moet speciale aandacht worden besteed aan hypokaliëmie. Aanvulling van kalium is dan absoluut essentieel.

Bloed

Glucose-infusies mogen niet gelijktijdig, vóór of na toediening van bloed via hetzelfde infusiesysteem worden toegediend, vanwege de mogelijkheid van pseudoagglutinatie.

Dehydratie

Bijzondere voorzichtigheid is geboden bij het toedienen van hypertonische glucoseoplossingen aan ernstig gedehydrateerde patiënten, bijvoorbeeld patiënten met delirium tremens of patiënten met gedecompenseerde diabetes insipidus, omdat het bijkomend waterverlies veroorzaakt door de osmotische diurese de dehydratatie kan verergeren.

Parenterale voeding

Het dient te worden opgemerkt dat deze oplossing slechts één component van parenterale voeding vormt. In totale parenterale voeding moeten glucose-infusies altijd worden gecombineerd met een voldoende hoeveelheid aminozuren, lipiden, elektrolyten, vitamines (vitamine B, in het bijzonder thiamine, is nodig voor glucosemetabolisme) en sporenelementen.

Pediatrische patiënten

Voor behandeling van hypoglykemie bij kinderen wordt gebruik van 10% glucoseoplossing aanbevolen.

Kinderen in het 1e en 2e levensjaar lopen een bijzonder risico op rebound-hypoglykemie na abrupte beëindiging van hoge infusiesnelheden, zie boven.

Houdbaarheid na eerste opening van de verpakking

Het product dient onmiddellijk te worden gebruikt. Zie rubriek 6.6.

Houdbaarheid na reconstitutie of verdunning

Vanuit microbiologisch oogpunt dient het product direct te worden gebruikt. Indien het niet direct wordt gebruikt, vallen de bewaartijden en -condities na bereiding en vóór gebruik onder de verantwoordelijkheid van de gebruiker en deze zullen doorgaans niet langer dan 24 uur bij 2 - 8 °C zijn, tenzij verdunning onder gecontroleerde en gevalideerde aseptische condities heeft plaatsgevonden.

Neem de instructies van de fabrikant van het betreffende additief of het te verdunnen geneesmiddel in acht.

Gevallen van onverenigbaarheid

Vanwege het risico op hemolyse en klontervorming mogen glucoseoplossingen niet gelijktijdig met, vóór of na de toediening van bloed worden toegediend met dezelfde infusieapparatuur.

De verenigbaarheid van het toe te voegen geneesmiddel met de glucoseoplossing moet worden gecontroleerd alvorens dit geneesmiddel toe te voegen.

Als er geen onderzoek is gedaan naar verenigbaarheden mag dit geneesmiddel niet met andere geneesmiddelen gemengd worden.

De gebruiksaanwijzing van het toe te voegen geneesmiddel moet worden geraadpleegd. Informatie over verenigbaarheid kan worden opgevraagd bij de fabrikant van het toegevoegde geneesmiddel.

Alvorens een geneesmiddel toe te voegen, moet er worden gecontroleerd of het geneesmiddel oplosbaar en stabiel is in water bij de zuurgraad (pH: 3.5 – 5,5) van Glucose 20% g/v.

Vanwege de zure pH kan de oplossing onverenigbaar zijn met andere geneesmiddelen of met bloed. Bij het mengen met andere geneesmiddelen kan de zure pH van de glucoseoplossing onder andere leiden tot neerslag in het mengsel.

Erytrocytconcentraten moeten niet in glucoseoplossingen worden gesuspendeerd vanwege het risico van pseudoagglutinatie.

Wanneer een verenigbaar geneesmiddel toegevoegd wordt aan Glucose 20% g/v, moet de oplossing onmiddellijk worden toegediend.

Toe te voegen geneesmiddelen waarvan de onverenigbaarheid vastgesteld is, mogen niet worden gebruikt.

Redactionele principes

Alle informatie is afkomstig van gecontroleerde bronnen (erkende instellingen, specialisten, studies van gerenommeerde universiteiten). Wij hechten veel waarde aan de kwalificatie van de auteurs en de wetenschappelijke onderbouwing van de informatie.

Uit ons magazine