Inhoud
In het kort
Epirubicinehydrochloride, het werkzame bestanddeel van Farmorubicine, is een stof uit de groep van de cytostatica, een bepaalde groep van middelen die gebruikt wordt bij de behandeling van kanker. Farmorubicine verhindert de vermeerdering van bepaalde kwaadaardige cellen in het lichaam.
- Werkzame stof(fen)
- Epirubicine
- Vergunninghouder
- Pfizer
- ATC-code
- L01DB03
Deze samenvatting vervangt de bijsluiter of medisch advies niet.
Advertentie
Patiëntenbijsluiter
Waarvoor wordt Farmorubicine R.T.U. Cytosafe vial 2 mg/ml, oplossing voor intraveneuze infusie gebruikt?
- Epirubicinehydrochloride, het werkzame bestanddeel van Farmorubicine, is een stof uit de groep van de cytostatica, een bepaalde groep van middelen die gebruikt wordt bij de behandeling van kanker. Farmorubicine verhindert de vermeerdering van bepaalde kwaadaardige cellen in het lichaam. Het doet dit door een verbinding aan te gaan met het erfelijke materiaal van de cel.
- Farmorubicine kan worden gebruikt voor de behandeling van bepaalde vormen van bloedkanker (leukemie), de ziekte van Hodgkin of van non-Hodgkin, borstkanker, en bepaalde soorten kwaadaardige aandoeningen, sarcomen genaamd. Farmorubicine kan ook gebruikt worden in combinatie met andere antikankermiddelen.
Advertentie
Wat moet u weten voordat u Farmorubicine R.T.U. Cytosafe vial 2 mg/ml, oplossing voor intraveneuze infusie gebruikt?
Wanneer mag u dit middel niet gebruiken?
- U bent allergisch voor een van de stoffen die in dit geneesmiddel zitten. Deze stoffen kunt u vinden onder punt 6.
- als u als gevolg van eerdere behandelingen (geneesmiddelen of radiotherapie) een nog te zeer verstoord bloedbeeld heeft;
- als u een verminderde hartfunctie heeft of heeft gehad;
- als u eerder al de maximale totale dosis van dit of een soortgelijk geneesmiddel toegediend is;
- als u een ernstige leverfunctiestoornis heeft;
- als u borstvoeding geeft.
Wanneer moet u extra voorzichtig zijn met dit middel?
| FARM 011 NL PIL 06Okt2010 |
- als u reeds eerder behandeld bent met middelen tegen kanker of als u bestraald bent;u dient uw arts hierop te attenderen;
- u een brandend gevoel krijgt op de plaats van toediening. Dit kan erop duiden dat Farmorubicine buiten het bloedvat treedt. Waarschuw dan uw arts;
- u veel last heeft van misselijkheid, braken of slijmvliesontsteking (mucositis). Uw arts zal u met medicijnen behandelen die deze bijwerkingen kunnen verminderen;
- u last heeft van bloedarmoede, infecties of bloedingen. Farmorubicine kan de werking van uw beenmerg aantasten. Door een daling van het aantal rode bloedlichaampjes kunt u bloedarmoede krijgen (anemie). Het aantal witte bloedlichaampjes daalt waardoor u gevoeliger bent voor infecties (leukopenie). Tevens kunnen er door een tekort aan bloedplaatjes makkelijker bloedingen ontstaan (trombocytopenie). Deze bijwerkingen zijn van tijdelijke aard. De daling is het grootst 10 tot 14 dagen na toediening en is meestal binnen 21 dagen na toediening weer voorbij;
- als u weet dat u een verminderde lever- of nierfunctie heeft. Dit kan leiden tot een toename van de bijwerkingen. Uw arts zal zowel de lever- als nierfunctie regelmatig controleren en zo nodig de dosering aanpassen;
- als u reeds eerder behandeld bent met middelen tegen kanker of als u bestraald bent, in het bijzonder als u ouder dan 70 of jonger dan 15 jaar bent of problemen met uw hart heeft of heeft gehad. U heeft dan meer kans op ernstige bijwerkingen aan het hart, zoals aandoeningen van de hartspier (hartzwakte), onvoldoende pompkracht van het hart (hartfalen), en stoornissen in het hartritme. Uw arts zal uw hartfunctie zowel voor, tijdens als na de behandeling controleren.
- als u een kinderwens heeft. Wanneer u behandeld wordt met Farmorubicine, dient u tijdens en tot en met zes maanden na de behandeling maatregelen te nemen om een zwangerschap te voorkomen, omdat dit middel schadelijk is voor de ongeboren vrucht. Deze maatregelen gelden zowel voor mannen als vrouwen, die met dit middel worden behandeld.
- Als u gevaccineerd moet worden, moet u uw arts informeren. Als u met Farmorubicine wordt behandeld , dient vaccinatie met een levend vaccin te worden vermeden. Gedode of geïnactiveerde vaccins kunnen wel worden toegediend, maar dergelijke vaccins kunnen een verminderde respons hebben.
Vertel het uw behandelende arts indien één van de bovenstaande waarschuwingen voor u van toepassing is, of dat in het verleden is geweest.
Gebruikt u nog andere geneesmiddelen?
Gebruikt u naast Farmorubicine nog andere geneesmiddelen, of heeft u dat kort geleden gedaan? Vertel dat dan aan uw arts of apotheker. Dat geldt ook voor geneesmiddelen waar u geen voorschrift voor nodig heeft.
De volgende geneesmiddelen of stoffen kunnen de werking van Farmorubicine beïnvloeden:
- anthracyclines, mitomycine-C, dactinomycine, dacarbazine en mogelijk cyclofosfamide; Het schadelijke effect voor het hart van Farmorubicine kan worden verergerd door bestraling en door het gebruik van deze middelen tegen kanker.
- rifampicine, barbituraten; Deze geneesmiddelen die het enzym, dat Farmorubicine afbreekt (cytochroom P-450), stimuleren, kunnen als gevolg hebben dat de werkzaamheid van Farmorubicine vermindert.
- cimetidine; Het gelijktijdige gebruik van geneesmiddelen die door hetzelfde enzym worden afgebroken (bijv. cimetidine), kan de werkzaamheid van Farmorubicine versterken. U dient daarom met het gebruik van cimetidine te stoppen tijdens de behandeling met Farmorubicine.
Zwangerschap en borstvoeding
Zwangerschap
Wilt u zwanger worden, bent u zwanger of geeft u borstvoeding? Neem dan contact op met uw arts of apotheker voordat u geneesmiddelen gebruikt.
| FARM 011 NL PIL 06Okt2010 |
Uw arts zal de te verwachten voordelen van de behandeling afwegen tegen het risico voor het ongeboren kind. Daarnaast dient u er tijdens de behandeling en tot 6 maanden erna voor te zorgen dat u een goed voorbehoedmiddel gebruikt. Dit geldt zowel voor mannen als voor vrouwen, die met epirubicine worden behandeld.
Epirubicine kan erfelijke informatie veranderen (mutaties veroorzaken).
Mannen die met Farmorubicine worden behandeld moeten tijdens de behandeling maatregelen nemen om zwangerschap te voorkomen. Ook wordt geadviseerd advies in te winnen over het bewaren van sperma, omdat de kans bestaat op onomkeerbare onvruchtbaarheid als gevolg van de behandeling.
Epirubicine kan bij vrouwen die nog niet in de overgang zijn (geweest) een menstruatiestoornis of voortijdige menopauze veroorzaken.
Borstvoeding
Epirubicine mag niet aan u worden voorgeschreven als u borstvoeding geeft.
Rijvaardigheid en het gebruik van machines
Bestuur geen auto of ander voertuig en gebruik geen machines of gereedschap, omdat bij behandeling met epirubicine misselijkheid en braken veel voorkomt.
Belangrijke informatie over enkele bestanddelen van Farmorubicine
Farmorubicine 10, 50 en 150 mg, poeder voor oplossing voor infusie bevatten methylhydroxybenzoaat (conserveermiddel). Deze stof kan allergische reacties veroorzaken (wellicht vertraagd) en in uitzonderingsgevallen bronchospasme.
Hoe wordt Farmorubicine R.T.U. Cytosafe vial 2 mg/ml, oplossing voor intraveneuze infusie gebruikt?
Farmorubicine kan met of zonder andere middelen tegen kanker worden gegeven. Vaak wordt de behandeling met tussenperioden van ongeveer 3 tot 4 weken herhaald. Hoeveel er wordt gegeven kan per patiënt verschillen. Soms wordt de behandeling op twee tot drie opeenvolgende dagen gegeven. Farmorubicine wordt rechtstreeks in het bloed toegediend. Dit gebeurt meestal in 3-20 minuten via een zijlijntje van een snellopend infuus.
Raadpleeg uw arts of apotheker indien u merkt dat Farmorubicine te sterk of juist te weinig werkt.
Advertentie
Wat zijn de bijwerkingen van Farmorubicine R.T.U. Cytosafe vial 2 mg/ml, oplossing voor intraveneuze infusie?
Zoals elk geneesmiddel kan Farmorubicine bijwerkingen hebben, al krijgt niet iedereen daarmee te maken.
Tijdens de behandeling met epirubicine zijn de volgende bijwerkingen geconstateerd en gemeld met de volgende frequenties: zeer vaak (≥1/10); vaak (≥1/100 to <1/10); soms (≥1/1,000 to ≤1/100); zelden ((≥1/10.000 to ≤1/1,000); zeer zelden (≤1/10.000); onbekend (kan niet worden geschat op basis van de beschikbare gegevens).Meer dan 10% van de te behandelen patiënten kan bijwerkingen verwachten. De meest voorkomende bijwerkingen zijn myelosuppressie, gastro-intestinale bijwerkingen, anorexie, alopecie en infecties.
| Systeem/Orgaanklasse | Frequentie | Bijwerkingen |
| Infecties en parasitaire | Vaak | nfectie |
| aandoeningen | Onbekend | Septische shock, sepsis, pneumonie |
| Neoplasmata, benigne, maligne en | Zelden | acute lymfocytaire leukemie, acute |
| niet-gespecificeerd (inclusief cysten | myeloïde leukemie | |
| en poliepen) | ||
| Bloed- en lymfestelselaandoeningen | Zeer vaak | Myelosuppressie (leukopenie, |
| granulocytopenie en neutropenie, anemie | ||
| en febriele neutropenie) |
| FARM 011 NL PIL 06Okt2010 |
| Soms | Trombocytopenie | |
| Onbekend | Hemorragie en weefselhypoxie als gevolg | |
| van myelosoppressie. | ||
| Immuunsysteemaandoeningen | Zelden | Anafylaxie |
| Voedings- en | Vaak | Anorexie, dehydratie |
| stofwisselingsstoornissen | Zelden | Hyperurikemie (zie rubriek 4.4 ) |
| Zenuwstelselaandoeningen | Zelden | Duizeligheid, verwarring en depressie |
| Oogaandoeningen | Onbekend | Conjunctivitis, keratitis |
| Hartaandoeningen | Zelden | Congestief hartfalen, (dyspneu; oedeem, |
| hepatomegalie, ascites, longoedeem, | ||
| pleurale effusie, galopritme) | ||
| cardiotoxiciteit (bijv. afwijkingen op het | ||
| ECG, aritmieën, cardiomyopathie), | ||
| ventriculaire tachycardie, bradycardie, | ||
| AV-blok, bundeltakblok. | ||
| Bloedvataandoeningen | Vaak | Opvliegers |
| Soms | Flebitis, tromboflebitis, necrose | |
| Onbekend | Shock, trombo-embolie waaronder | |
| ongembolie | ||
| Maagdarmstelselaandoeningen | Vaak | Mucositis, oesofagitis, stomatitis, braken, |
| diarree, nausea | ||
| Huid- en onderhuidaandoeningen | Zeer vaak | Alopecia |
| Zelden | Urticaria | |
| Onbekend | Lokale toxiciteit, rash, jeuk, | |
| huidveranderingen, erytheem, blozen, | ||
| hyperpigmentatie van huid en nagels, | ||
| otosensitiviteit, overgevoeligheid van | ||
| bestraalde huid (bestraling recall-reactie) | ||
| Nier- en | Zeer vaak | Roodkleuring van de urine gedurende 1-2 |
| urinewegaandoeningen | dagen na toediening | |
| Voortplantingsstelsel- en | Zelden | Amenorroe, azoöspermie |
| borstaandoeningen | ||
| Algemene aandoeningen en | Vaak | Erytheem op de toedieningsplaats |
| oedieningsplaatsstoornissen | Zelden | Malaise, asthenie, koorts, koude rillingen |
| Onderzoeken | Zelden | Veranderde transaminasespiegels |
| Onbekend | Asymptomatische daling van de | |
| inkerventrikelejectiefractie | ||
| Letsels, intoxicaties en | Vaak | Na intravesicale toediening werd |
| verrichtingscomplicaties | chemische cystitis waargenomen, die in | |
| sommige gevallen hemorragisch was. (zie | ||
| ubriek 4.4). |
De kans op het ontwikkelen van congestieve Hartdecompensatie neemt toe met de totale cumulatieve dosis van epirubicine en met voorafgaande therapie met verwante anthracyclines zoals doxorubicine of daunorubicine of anthraceenderivaten. Zelden: Congestief hartfalen, (dysoneu; oedeem, hepatomegalie,
| FARM 011 NL PIL 06Okt2010 |
asceites, longoedeem, pleurale effusie, galopritme), cardiotoxiciteit (bijv. afwijkingen op et ECG, aritmieën, cardiomyopathie), ventriculaire tachycardie, bradcardie, AV-blok, bundeltakblok.
Patiënten ouder dan 70 jaar of jonger dan 15 jaar hebben een verhoogd risico op het ontwikkelen van cardiomyopathie. Cardiotoxiciteit kan meerdere weken tot maanden na de beëindiging van de behandeling optreden. (Zie rubriek 4.4).
Secundaire acute myeloïde leukemie met of zonder preleukemische fase is in zeldzame gevallen gerapporteerd bij patiënten die behandeld werden met epirubicine in combinatie met DNA-beschadigende antineoplastische stoffen. Dergelijke gevallen vertonen een korte latentieperiode (1-3 jaar).
Intravesicale toediening
Aangezien slechts een klein deel van het werkzame bestanddeeel wordt gereabsorbeerd na intravesicale instillatie, komen maar zelden ernstige systemische bijwerkingen of allergische reacties voor. Veelvuldig is melding gemaakt van lokale reacties als een brandend gevoel en frequente urinelozing (pollakisurie). In enkele gevallen zijn bacteriële en chemische cystitis gemeld (zie rubriek 4.4). deze bijwerkingen zijn over het algemeen reversibel.
Krijgt u veel last van een bijwerking? Of heeft u een bijwerking die niet in deze bijsluiter staat? Neem dan contact op met uw arts of apotheker.
Hoe bewaart u Farmorubicine R.T.U. Cytosafe vial 2 mg/ml, oplossing voor intraveneuze infusie?
- Farmorubicine 10, 50 en 150 mg: Bewaren beneden 25°C. Na oplossen is het product nog 7 dagen bij kamertemperatuur (15-25°C) of 15 dagen in de koelkast (bij 2-8°C) houdbaar. Het is echter beter het product binnen 24 uur na oplossen te gebruiken.
- Farmorubicine R.T.U. en Farmorubicine R.T.U. Cytosafe vial 2 mg/ml: Bewaren in de koelkast (2°C-8°C). Bij bewaring in de koelkast kan uit de oplossing een gel ontstaan. Bij kamer-temperatuur (15-25°C) gaat deze gel na 2 tot 4 uur weer over in de oplossing.
- Bewaren buiten invloed van licht.
Buiten het bereik en zicht van kinderen houden.
Gebruik dit middel niet meer na de uiterste houdbaarheidsdatum. Die is te vinden op de doos en op de flacon na: "Niet te gebruiken na:".Daar staat een maand en een jaar. De laatste dag van die maand is de uiterste houdbaarheidsdatum.
Spoel geneesmiddelen niet door de gootsteen of de WC en gooi ze niet in de vuilnisbak. Vraag uw apotheker wat u met geneesmiddelen moet doen die niet meer nodig zijn. Ze worden dan op een verantwoorde manier vernietigd en komen ze niet in het milieu.
Voorkom dat Farmorubicine in contact komt met de huid. Als dit per ongeluk toch gebeurt dient u de huid grondig met water en zeep te wassen.
Meer informatie over Farmorubicine R.T.U. Cytosafe vial 2 mg/ml, oplossing voor intraveneuze infusie
Welke stoffen zitten er in dit middel?
- De werkzame stof in dit middel is epirubicinehydrochloride. Het poeder voor oplossing voor infusie bevat respectievelijk 10, 50 of 150 mg epirubicinehydrochloride, de oplossing voor infusie bevat 2 mg epirubicinehydrochloride per ml.
- De andere stoffen in dit middel zijn voor het poeder voor oplossing voor infusie: methylhydroxybenzoaat (E218) en lactose; en voor de oplossing voor infusie: natriumchloride, zoutzuur (E507) en water voor injecties.
| FARM 011 NL PIL 06Okt2010 |
Hoe ziet Farmorubicine eruit en hoeveel zit er in een verpakking?
- Farmorubicine (10, 50 en 150 mg), is een rood-oranje poeder voor oplossing voor infusie, dat wordt geleverd in een glazen flacon voorzien van een chloorbutylrubberen stop.
- Farmorubicine R.T.U. 2 mg/ml is een heldere rode oplossing die wordt geleverd in een van een teflon/chloorbutylrubberen stop glazen flacon, die respectievelijk 5 ml (10 mg epirubicine hydrochloride), 25 ml (50 mg epirubicinehydrochloride) of 100 ml (200 mg epirubicinehydrochloride) oplossing bevat.
- Farmorubicine R.T.U. Cytosafe vial 2 mg/ml is een heldere rode oplossing die wordt geleverd in een van een teflon/halobutylrubberen stop voorziene polypropyleen flacon, die respectievelijk 5 ml (10 mg epirubicine hydrochloride), 10 ml (20 mg epirubicinehydrochloride), 25 ml (50 mg epirubicinehydrochloride) of 100 ml (200 mg epirubicinehydrochloride) oplossing bevat.
Houder van de vergunning voor het in de handel brengen
Pfizer bv, Rivium Westlaan 142, 2909 LD Capelle aan den IJssel
Voor vragen over dit geneesmiddel, bel met Pfizer 0800-MEDINFO (63 34 636).
Farmorubicine 10 mg is in het register ingeschreven onder RVG 10814; Farmorubicine 50 mg is in het register ingeschreven onder RVG 10815; Farmorubicine 150 mg is in het register ingeschreven onder RVG 16533; Farmorubicine R.T.U. 2 mg/ml is in het register ingeschreven onder RVG 14943;
Farmorubicine R.T.U. Cytosafe vial 2 mg/ml is in het register ingeschreven onder RVG 21822.
Deze bijsluiter is voor het laatst goedgekeurd in oktober 2010
| FARM 011 NL PIL 06Okt2010 |
Redactionele principes
Alle informatie is afkomstig van gecontroleerde bronnen (erkende instellingen, specialisten, studies van gerenommeerde universiteiten). Wij hechten veel waarde aan de kwalificatie van de auteurs en de wetenschappelijke onderbouwing van de informatie.


